Karen knalde een fuchsia plastic bal tegen een van de drie de witte wanden. Hij liet geen spoor achter, maar botste en verdween in de multicolor ballenbadberg. Waarom zat ze in deze selfie gevangen, en niet eentje in Ibiza of bij koffiebar Sprinkles?
Niemand daarbuiten leek te beseffen dat ze geen plaatje, maar een persoon was. Hoe druk ze ook gesticuleerde, hoe hard ze ook op die ene zwarte spiegelwand bonsde, het leverde haar enkel hartjes, duimpjes en een occasionele gele lol-bol op. Ze wist zeker dat ze achter het scherm toekeken hoe zij als mimespeler in dit virtuele vierkant zat.
Ze knalde een bordeaux bal tegen het spiegelglas, een lila bal, een appelblauwzeegroene bal. De duimpjesteller tikte over de duizend heen, terwijl ze steeds sneller en steeds meer ballen katapulteerde: een babyroze, een doorzichtige.
Het spiegelglas barstte, maar brak niet. Ze kroop door de ballenstroom dichterbij en liet haar vinger over de rand van de barst glijden. Als het glas brak, kon ze dan ooit nog iemands aandacht trekken? Het bloed en de pijn kwamen met vertraging, als bij een papiersnee. Karen bracht haar vinger naar haar mond, maar bedacht zich.
In donkerrood spiegelschrift tekende ze PLEH op de zwarte leegte. Ze sloot af met een hashtag en liet zich achterover in de ballen vallen. Het was maar een kwestie van tijd voor een algoritme haar noodkreet zou registreren.