Ik heb een eerlijkheidsissue. Niet zoals je wellicht zou denken, dat ik te veel leugens zou vertellen. Het omgekeerde. Ik heb de onbedwingbare neiging om altijd de waarheid te vertellen.
Niet dat ik streng katholiek ben opgevoed of dat mijn ouders mij sloegen als ze me betrapten op een leugen. Ik weet niet waar het vandaan komt. Misschien ben ik de psychologische tegenhanger van de pathologische leugenaar. Of ben ik licht autistisch. Die term is tegenwoordig toch op quasi elk sociaal afwijkend gedrag van toepassing, dus dan ben ik zowaar hip.
Een stoornis is het in ieder geval. In tegenstelling tot de gemiddelde mens, heb ik steevast problemen met het beantwoorden van simpele vragen als ‘hoe het met me gaat’. Ik weet namelijk perfect dat de tegenpartij helemaal niet wil weten hoe het echt met me gaat en het enige sociaal aanvaardbare antwoord is: ‘goed, goed. En met jou?’ Toch is mijn eerste instinct om effectief na te denken over mijn gemoedstoestand, maar voor zulks een filosofische enquête is er geen tijd in dat soort gesprek.
Soms hoef ik er niet over na te denken en voel ik me gewoon slecht. Maar dat wil helemaal niemand horen. Gelukkig heb ik intussen geleerd de vraag vlotjes te ontwijken door over het weer te beginnen. Nog zo’n thema dat niemand echt interesseert, maar iedereen het wel over heeft.
Gelukkig is er toch één lichtpunt voor mensen als mij: de opkomst van de feedbackcultuur. Al de goeroes zijn het er over eens dat feedback geven positief is voor je carrière en de maatschappij in haar geheel. Als ik mijn waarheden maar genoeg verpak in sandwichtechnieken en formuleer als point of improvement, dan mag het allemaal. Een verademing.
Misschien ben ik door mijn sociale handicap licht bevooroordeeld, maar ik ben ervan overtuigd dat we echt allemaal beter af zouden zijn als we meer eerlijke feedback aan elkaar zouden durven geven. Als dat de sociale norm werd, dan zouden we het ook niet meer zo negatief opvatten als we feedback kregen. En we zouden echt aan onze minder goede kantjes kunnen werken.
Neem nu iets dat we allemaal meemaken in ons leven: een relatie die stukloopt. Hoe vaak maken we ons als vrouw er niet vanaf met de boodschap “je bent gewoon te lief”. Laten we eerlijk zijn dames, als we onder ons zijn, heeft nog nooit iemand gezegd dat haar partner te lief is. Te passief, ja. Een sukkel in bed, ja. Niet beschermend genoeg, ja. Maar te lief?
Ik zie ook de tragische gevolgen hiervan op mijn mannelijke vrienden. Zeg iets lang genoeg, en ze gaan het geloven. Gevolg? Ze doen moeite om minder lief te zijn, in de hoop zo de vrouw van hun dromen aan te trekken. In het beste geval zoeken ze zich een stoere, mannelijke hobby als boksen. Minder leuk wordt het als ze op de meest eikelig mogelijke manier het verkeer gaan verzieken of iets dergelijks.
En dat enkel omdat we niet durven zeggen wat de echte oorzaak van de breuk was. We blijven doen wat sociaal aanvaard is, zelf als we geen enkele intentie hebben om hem ooit nog terug te zien. Toegegeven, dan heb je er in theorie ook niets meer aan als hij zijn leven zou beteren, maar je verknalt het voor alle vrouwen die na jou komen. En je houdt de mythe van ‘te lief’ in stand. Binnenkort is er geen enkele man meer die nog zijn arm om je schouders durft leggen als je je niet goed, goed voelt. Of die zomaar chocolaatjes meebrengt naar huis. Is dat dan wat we willen? Een chocoladeloos liefdesleven?