I.

Hij kuste me niet onder het noorderlicht.

Ik dacht vroeger altijd dat mooie dingen mooier werden als je ze met iemand kon delen. Wist ik veel dat je dan hetzelfde idee moet hebben over wat mooi is. En delen.

Er is een strand in het verre noorden van Skye, dat recht uit een tropische all-in catalogus zou kunnen komen. Spierwit, zachtjes geaaid door een turkooizen zee. Maar het is Schotland en het is maart. Een foto heeft geen temperatuur. Dat tropische verzin je zelf.

In Schotland dwalen de schapen vrij rond. Enkel aan het begin van ons pad kwamen we een hek tegen, om hen van de parking af te houden. Een bordje aan het hek las Worrying is a serious offense.

Het zou een mooie dag worden. We sprongen over beekjes, maakten foto’s op een muurtje en onderweg vond ik een hartvormige steen. Het gras was wel wat minder groen dan verwacht, maar het was nog winter daar. Dat wist ik al toen we vertrokken.

Van ver zag het strand er inderdaad postkaartwaardig uit. Dichterbij zag je het echte verhaal. Het was geen zand, maar ontelbaar veel kleine stukjes gebroken, verbleekte koraalskeletten. Het zwarte strand dat er vlak naast lag, had ik ook in geen enkele brochure gezien.

We zaten naast elkaar op een steen en keken naar de andere koppels. Die met de hond waren het schattigst. Misschien moesten wij ook eens uitkijken naar een hond zodra we thuis kwamen.

Op de terugweg merkte ik opnieuw de hartvormige steen op. Alleen ik slaag erin om op een kilometerslange tocht door onbekend terrein twee keer die steen te vinden. Ik dacht dat het een teken was. Hij dacht dat zo’n steen meesleuren veel te veel gedoe was en dat ik die best kon laten liggen.

Met lege handen kwam ik terug aan de auto. Strictly no worrying.

II.

Een doodgewone Belg kan het zich moeilijk inbeelden. Hoe eindeloos uitgestrekt de lege natuur kan zijn. Urenlang wandelen en geen mens tegenkomen. Af en toe een kudde schapen, die als wolkjes op de helling van een cliff drijven. Nergens een bank, een vuilbak of een bord dat aangeeft welke richting je moet uitwandelen.

Ik vond het best zo. In tegenstelling tot het cliché, kan ik wel kaartlezen. Ook van die papieren versies, waar geen wegen opstaan en alleen maar cryptische tekens en getallen. Schatkaarten en dergelijke.

Wij waren tegen clichés. Daarom ook dat we deze bestemming gekozen hadden als huwelijksreis. Geen tropische stranden, waar je heelder dagen in het zand ligt te puffen. Nee, wij trokken samen de natuur door, beklommen bergen, ploeterden door moerassen en beekjes.

Hij kan daar trouwens niet tegen. Tegen warmte. Boven de 20°C wordt het al moeilijk en vanaf 25°C smelt hij gewoon. Dan was Schotland een veel betere optie.

De beste relaties zijn die, waar je comfortabel tegen elkaar kunt zwijgen. We waren één met de natuur. Enkel het geruis van onze stappen in het gras verried onze aanwezigheid. De laatste keer dat we iets gezegd hadden, was aan de vuurtoren. Toen ik de perfecte scene voor onze huwelijksfoto aan het bedenken was. Met als achtergrond de hoekige zwarte lavasteenformaties en de vuurtoren op de rand van de afgrond.

Hij doorbrak de stilte een tweede keer om me te melden dat we verloren gelopen waren. We hadden al lang terug een huis moeten tegenkomen. Ik was onze positie op de kaart geen minuut kwijtgespeeld en wist zeker dat we nog perfect op de geplande route zaten. Ik bestudeerde de kaart nog eens, schatte de hoogtes van de heuvels rondom ons en wees elke top aan op de kaart. We stonden pal in het midden. Hij moest er niets van weten. Volgens hem waren we al veel te lang onderweg. Dat we bijna loodrecht omhoog een cliff opgeklommen waren, leek hij in die berekening totaal te vergeten.

Zijn richtingsgevoel laat hem altijd in de steek. Als hij een winkel binnengaat, kan hij bij het buitengaan niet meer zeggen waar hij vandaan komt. Kaartlezen heeft hij ook nooit geleerd. Dat is niet nodig in een wereld waarin technologie je de weg wijst.

Zonder mij was hij al lang verdwaald. Toch liet ik hem de weg kiezen. Veel maakte het niet uit, dat zag ik ook op de kaart. We zouden er wel komen. Uiteindelijk zouden we op een betonnen weg uitkomen en alle wegen leiden naar Glendale. Er is immers maar één weg in Glendale.

III.

‘Beware of the Fairy Pools,’ zei de uitbater van de B&B bij ons vertrek. ‘They look inviting, but they only come in two temperatures: cold and bastard cold.’

Voor we vertrokken op onze reis, had ik het plan opgevat om daar te gaan zwemmen. Wild swimming, onder een waterval in puur en helder water. Maar het is Schotland en het is maart. Ik had geen zin om experimenteel vast te stellen vanaf wanneer kou het adjectief bastard verdient. Ik zou me tevreden stellen met een foto.

Het zou onze laatste stop in Skye worden. De ochtend nadien zouden we het vliegtuig nemen in Edinburgh en die avond moest de huurauto binnen. Gelukkig had hij gps, zodat we geen tijd verkwanselden en niet te veel Schotland te zien kregen. Met technologie hoef je niet te onderhandelen over de route. Technologie heeft altijd gelijk.

Het nadeel aan zo’n eindeloos uitgestrekte natuur is dat slechts een fractie daarvan vlak aan een parking ligt. En de afgelopen week hadden we een stevige dodentocht verzameld in onze beenspieren. De Fairy Pools moesten het hoogtepunt van deze reis worden. Het monster hadden we niet gezien op de heenweg, maar dit sprookje zou me niet ontglippen. Rationeel gezien wegen de laatste loodjes evenveel als al die andere loodjes.

In de rangschikking van lokale trekpleisters stond deze duidelijk een trapje hoger. Er was een echt pad. En de stapstenen waarop je de vele riviertjes kon oversteken waren opmerkelijk plat en stabiel. Het leek dan ook niet moeilijk om bij de waterval te komen, alleen ver. Hoewel? Als we niet goed opgelet hadden, dan zouden we er voorbij gelopen zijn. Het pad liep langs de rand van het kloofje, niet erdoorheen, zoals de foto’s die ik gezien had. Er stroomde ook veel minder water en gezien het nog winter was, was er ook nergens een streepje groen te bespeuren. Gelukkig had ik genoeg foto’s bestudeerd om de plek toch te herkennen.

Het was dan misschien niet het perfecte plaatje, maar het was wel uniek. En ik zou dat plaatje vereeuwigen. Ik moest dus afdalen en de rivier oversteken. De stenen hier zagen er al een pak grilliger en gladder uit en de stroom was een stuk breder dan alles waar we tot hiertoe over gewandeld waren. Hij zou achterblijven langs het pad. Voor de veiligheid. Om onze rugzak droog te houden. Ik gespte de cameratas stevig tegen mijn bovenlijf aan.

Een steen lukte. De tweede steen lukte. Maar halverwege gebeurde het onvermijdelijke. Ik schoof van de steen af en viel in het water. Gelukkig kon ik mijn val breken met mijn handen en hing de camera veilig, net boven het water. Ik kon nog steeds mijn foto nemen. Het voordeel van die zwempartij was wel dat ik nu toch al kletsnat was en gewoon door de rivier kon wandelen naar de overkant.

Daar waren ze dan eindelijk in volle glorie. De Fairy Pools. Vanuit de perfecte hoek. Ik haalde mijn camera uit de tas en bracht hem op ooghoogte. Althans, dat was het plan. Mijn pols wilde niet meewerken en ik kon het ding gewoon niet omhoog houden met één hand. Er was iets grondig mis, maar door de kou kon ik de pijn niet voelen. Ik liet me niet uit het lood slaan. Ik stelde een timer in, drukte af met mijn linker wijsvinger en bracht de camera op de juiste hoogte met mijn linkerarm. Met twee seconden overschot schoot ik het plaatje waarvoor ik gekomen was. Zo’n sprookjeslandschap komt nog beter tot zijn recht als je het niet te scherp in beeld brengt.

IV.

Rationeel gezien is de weg terug even ver als de heenweg.

Nog steeds voelde ik geen pijn aan mijn pols, maar hij begon wel wat op te zwellen. Toen we aan de auto kwamen zag hij er al helemaal uit als een marshmallow. Helaas was er geen vuurtje om hem op te roosteren, om mijn vingers te ontdooien. Mijn pols omdraaien om de portierhendel vast te pakken ging niet, dus ik probeerde met mijn linkerhand. De pijn schoot vanuit mijn vinger tot halfweg mijn arm zodra ik mijn hand probeerde te sluiten. Blijkbaar was er aan de linkerkant ook een slachtoffer gevallen. Er zat niets anders op dan zijn hulp te vragen.

Ik keek stil toe hoe hij een steunverband probeerde aan te leggen aan beide kanten. Veel steun kreeg ik er niet van, maar wat verwacht je van zo’n vod. Ik hoefde toch niet te rijden, dus ik zou het wel kunnen volhouden tot aan het ziekenhuis. Welk ziekenhuis? Er zou ongetwijfeld een ziekenhuis onderweg zijn.

We zetten koers richting Edinburgh. Mijn schoenen kreeg ik niet uit in deze toestand, dus mijn voeten bleven koud. De pols en vinger daarentegen werden snel wakker uit hun roes en protesteerden voelbaar tegen de mishandeling die ze ondergaan hadden. Ik legde mijn hoofd tegen het raam en staarde naar de laatste restjes Skye die langs me heen gleden.

Vlak na de brug die het eiland met de rest van Schotland verbond, attendeerde ik hem erop dat we een ziekenhuis passeerden. Of ik niet nog even kon volhouden, want als we de auto te laat inleverden moesten we een boete betalen. En in Edinburgh zou het ziekenhuis waarschijnlijk veel beter zijn dan in zo’n verre uithoek. Ik kon het nog wel even volhouden. Naast mijn hoofd landde een verdwaald sneeuwvlokje op het raam.

Hoe dichter we bij Edinburg kwamen, hoe dikker de sneeuwlaag rondom ons werd. Ondanks een stevige file, waren we ruim op tijd op de inleverplaats. Ik bedacht een systeem waardoor ik mijn trolley kon voorttrekken, zonder mezelf al te veel pijn te doen. De hotelmedewerker wees ons erop dat we niet zomaar naar het ziekenhuis om de hoek konden gaan, maar naar de A&E moesten. In Schotland heeft namelijk niet elk ziekenhuis een spoedafdeling en dit was duidelijk een zaak waar haast bij was. Die A&E lag behoorlijk ver van het centrum en we hadden geen auto meer, dus ik moest snel de bus nemen.

Er waren heel veel mensen die net als ik erg dringend hulp nodig hadden. Naast me zat een man wiens vinger niet meer goed aan de rest van zijn lijf zat. Hij was duidelijk gedrogeerd, maar na een uur wachten en staren kreeg hij toch eindelijk het lumineuze idee om wat ijs en een doekje te gaan vragen. Je kan blijkbaar lang bloeden als je niets voelt.

Het was nog een uur later toen ik eindelijk mijn naam hoorde omroepen. Of althans toch de Schotse variant daarvan. Ik herkende mezelf bijna niet in de verzameling klanken. Ergens verwacht je ook al lang niet meer dat het nog ooit jouw beurt wordt. Een uur later stapte ik de laatste bus op, met een steviger verband, een doosje pijnstillers en het advies om in België naar de dokter te gaan als het niet vanzelf beter werd.

De meeste dingen worden niet vanzelf beter.