Of ze het zweet van zijn beestige buikspieren wou komen likken, stuurde hij. Ze stond op minder dan een meter van hem, voor zijn ogen te draaien en te shaken, maar luidop vragen durfde hij niet. Niet dat het romantisch zou zijn, zo in haar oor staan schreeuwen. Waarschijnlijk zou ze niet eens goed verstaan wat hij zei. Nee, toch maar een sms’je.
Dat ze zweet maar niks vond, stuurde ze terug, maar dat ze nog wel een magnumfles champagne had liggen. Ze draaide verder door, vlak voor zijn ogen, maar nog steeds veel te ver weg van hem. Hoeveel harder moest ze nog draaien? Hoe vaak moest ze nog in zijn ogen staren?
Dorst heb ik altijd, zijn laatste digitale antwoord. Dichterbij kwam hij niet.
Wat in godsnaam hij daar nu weer mee bedoelde, vroeg ze mij. Wat ze moest terugsturen. Dat ze allebei gek van elkaar waren, dacht ik, en dat het triestig was dat ze zich niet aan elkaar durfden laven.
Ze dronken de hele avond Desperados, maar hun dorst werd niet gelest.
Dat het triestig was, die jeugd van tegenwoordig, stuurde ik naar de vlam van de dag. Van onder mijn lakens vertelde ik wat ik gezien, gelezen en gehoord had.
Dat hij ook altijd dorst had, kreeg ik terug.
Dat hij in mij mocht komen verdrinken…